Tool - Climate Impact Atlas

Link to external tool

http://www.klimaateffectatlas.nl/en/

Related to Aspects

Determine climate threat

Description

The Climate Impact Atlas provides a first indication of whether climate threats (river and coastal flooding, pluvial flooding, drought, and heat stress) might affect a certain area (municipality) in the Netherlands. The results are presented in an interactive visualisation and are intended to put climate change and adaptation on the agenda and support multi-stakeholder discussions.

Input

klimaat atlas

Step 1 – Select the municipality

Enter the name of a Dutch municipality in a text field (‘zoek gemeente’) after which a black line on the map will represent the borders of the municipality. Use the + or – buttons on the map or the scroll function on the computer mouse to zoom in or out.  

Step 2 – Select the background map

Select the preferred background map (‘achtergrondkaart’) by checking the box in front of it. There are three options for a map: a topgraphical map (‘Topografie’), Air photo (‘Luchtfoto’), and Land use types (‘Landschapstypen’).  

Step 3 – Select climate threat

In the upper left corner of the map 4 tabs are shown that represent the climate threats; River and Coastal flooding (‘Overstroming’), Pluvial flooding (‘Wateroverlast’), Drought (‘Droogte’) and Heat stress (‘Hitte’). Click on one of them to show the results on the map.  

Step 4 – Select the effects

For each climate threat, certain effects can be selected by checking the box in front of the name of the effect (top of the screen in the right hand sidebar). The results of the selected effects will automatically be shown on the map. For each effect a percentage can be selected by first clicking the column next to the field and then inserting a value in the text field or by clicking the arrows up and down.  

Step 5 – Select sensitive functions/risks

In the center of the righthand side bar, some sensitive functions (‘Gevoelige functies’) or risks (‘Risico’s’) can be selected, dependent on the climate threat selected. These sensitive functions can be vulnerable when when climate impacts affect the area they are located in. The functions or risks can be selected by checking the box next to them. Here too, a percentage can be selected for each function/risk by first clicking the column next to the field and then inserting a value in the text field or by clicking the arrows up and down.

Coastal and river flooding

  • Overlijdensrisico overstroming 2020 (per jaar)
Om het overlijdensrsico in kaart te brengen wordt gebruik gemaakt van het begrip Lokaal Individueel Risico (LIR). Het LIR is de kans per jaar dat een persoon die zich op een bepaalde plaats in overstroombaar gebied bevindt, overlijdt als gevolg van een overstroming. De hoogte van het lokaal individueel risico wordt bepaald door de overstromingskans, de waterdiepte, de stijgsnelheid van het water en de evacuatiemogelijkheden. Deze kaart laat het Lokaal Individueel Risico zien in 2020 na uitvoering van lopende projecten en programma’s voor hoogwaterbescherming. De lichte kleuren op de kaart geven aan dat een locatie relatief weinig risicovol is, de donkere gebieden zijn relatief risicovol. In deze situatie is er een aanzienlijk deel van het overstroombare gebied waar de overlijdenskans groter is dan één honderdduizendste per jaar. In 2050 mag dit basisbeschermingsniveau nergens in overstroombaar gebied meer worden overschreden. Bron: “Normering primaire waterkeringen” hoofdrapport 28 juni 2016, figuur 4.2 p26. Beschikbaar via: (Helpdeskwater)
  • Overlijdensrisico overstroming 2050 (per jaar)
Om het overlijdensrsico in kaart te brengen wordt gebruik gemaakt van het begrip Lokaal Individueel Risico (LIR). Het LIR is de kans per jaar dat een persoon die zich op een bepaalde plaats in overstroombaar gebied bevindt, overlijdt als gevolg van een overstroming. De hoogte van het lokaal individueel risico wordt bepaald door de overstromingskans, de waterdiepte, de stijgsnelheid van het water en de evacuatiemogelijkheden. Deze kaart geeft het LIR weer voor 2050 waarbij alle waterkeringen voldoen aan de maximaal toelaatbare overstromingskansnorm uit de Waterwet. Voor iedereen achter een dijk of duin geldt er dan tenminste een basisbeschermingsniveau van één honderdduizendste (10-5)per jaar. De veiligheid van burgers neemt in grote delen van Nederland, met name in het rivierengebied, toe met tenminste een factor 10. Deze kaart is bruikbaar voor risicozonering. Bron: “Normering primaire waterkeringen” hoofdrapport 28 juni 2016, figuur 5.1 pagina 39. Beschikbaar via: (Helpdeskwater)

Pluvial flooding

  • Tunnels

Drought

  • Agricultural area (‘Agrarisch areaal’)
  • Nature (‘Natura2000’)

Heat stress

  • Bathing water locations (‘Zwemwaterlocaties’)
  • >65 year old (‘Aandeel 65plus’)
 

Step 6 – Explanation per effect

The effects per climate threat are (to be translated):

Coastal and River Flooding

  • Kans: norm overschrijdingskans 2050
Deze kaart geeft de maximaal toelaatbare overstromingskansen per jaar weer voor primaire keringen, zoals verankerd in de Waterwet. Dit is de veiligheidsnorm waar de primaire keringen uiterlijk in 2050 minimaal aan moeten voldoen. Deze ondergrensnorm dient niet te worden verward met de – een factor 3 strengere – signaleringsnorm, die dient om het versterken van de waterkeringen tijdig in gang te zetten opdat de maximale toelaatbare overstromingskans niet wordt overschreden. Deze normen zijn gestoeld op een risicobenadering waarbij zowel met slachtoffers als economische schade is rekening gehouden: De omvang van de gevolgen bepaalt daarbij grotendeels de hoogte van het beschermingsniveau (maar ook de benodigde versterkingskosten). Bron: “Normering primaire waterkeringen” hoofdrapport 28 juni 2016, pagina ii. Beschikbaar via: (Helpdeskwater)
  • Kans: versterkingsopgave tot 2050
Deze kaart geeft voor alle dijk- en duintrajecten het verschil aan tussen de verwachte overstromingskansen in 2020 (referentiesituatie) en de maximaal toelaatbare overstromingskans in 2050 en is een maat voor de versterkingsopgave. De waterkeringen die groen staan weergegeven op de kaart voldoen reeds aan de gestelde ondergrens. Met name in het rivierengebied liggen gebieden waar de overstromingskans in de periode tot 2050 fors moet dalen om aan de gestelde ondergrens te voldoen, soms met meer dan een factor 100. De verwachte overstromingskansen in 2020 zijn gebaseerd op de resultaten van Veiligheid Nederland In Kaart (VNK; overstromingskans 2010-2014), gecorrigeerd voor uitvoering van lopende projecten en programma’s voor hoogwaterbescherming (HWBP2 en Ruimte voor de Rivier). Voor trajecten die grijs staan weergegeven is of geen actuele overstromingskans beschikbaar (Grevelingen, Volkerak-Zoommeer en Veluwe randmeren) of gelden afwijkende prestatie-eisen (dammen zoals de Afsluitdijk en stormvloedkeringen) Bron: “Normering primaire waterkeringen” hoofdrapport 28 juni 2016, figuur op pagina ii en figuur 4.1, pagina 25 Beschikbaar via: (Helpdeskwater)
  • Blootstelling: maximale overstromingsdiepte
De kaart geeft weer welke gebieden kunnen overstromen en welke (maximale) overstromingsdiepte dan op kan treden. Deze kaart toont verschillende overstromingsscenario’s die niet allemaal tegelijkertijd kunnen optreden. Bij een zeer extreme noordwesterstorm wordt bijvoorbeeld alleen de kustzone bedreigd. In de kaart zijn de effecten bij overstroming van primaire keringen, regionale keringen en buitendijks gebied gecombineerd. Voor de primaire waterkeringen is uitgegaan van de set overstromingsscenario’s die in het Deltaprogramma zijn gebruikt voor het afleiden van de nieuwe waterveiligheidsnormen. Bron: Rijkswaterstaat, 10 november 2015
  • Blootstelling: verschil overstromingsdiepte Risicokaart
Bij de overstromingsdieptekaart (1 laag hoger) is voor de primaire waterkeringen de set overstromingsscenario’s uit het Deltaprogramma gehanteerd. In een voor de chemiesector voorgeschreven richtlijn ( (PGS6)) wordt gerefereerd naar de Risicokaart. In de Risicokaart is voor primaire waterkeringen een iets gematigder set overstromingsscenario’s gehanteerd, waardoor de maximale waterdiepte minder groot is. Deze kaart geeft het verschil weer tussen de twee sets aan overstromingsscenario’s: de Risicokaart (versie 30 mei 2016) en de Deltaprogramma (versie 10 november 2015) modellering. Bron: Rijkswaterstaat 6 juni 2016.
  • Kwetsbaarheid: droge plekken per regio
In grote delen van Nederland kunnen maar weinig inwoners veilig niet-bedreigd gebied bereiken. Die inwoners zullen een droge plek moeten zoeken binnen het bedreigde gebied. Dit wordt ook wel verticale evacuatie genoemd. In veel gevallen kan dat een droge verdieping van de eigen woning zijn en anders een schuilplaats in de directe omgeving. In gebieden met weinig droge plekken bij een overstroming is verticale evacuatie niet altijd mogelijk. Deze kaart presenteert per buurt hoeveel % van de gebouwen waarschijnlijk een droge verdieping heeft. Hierbij is gebruik gemaakt van de maximale waterdiepte bij het maximaal mogelijke overstromingsscenario (gegevens uit http://overstroomik.nl) en gegevens uit het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN). Voor bestaande gebouwen is berekend of een gebouw tenminste 1 droge verdieping heeft. Voor objecten die na het inmeten van de AHN zijn gebouwd is gebruik gemaakt van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). Voor alle gebouwen is aangenomen dat een verdieping 2.65 meter hoog is. ( Landelijke informatiesysteem Water en Overstromingen) versie januari 2016
  • Kwetsbaarheid: evacuatiefractie
De evacuatiefractie geeft het percentage inwoners aan dat voorafgaand een dijk- of duindoorbraak het bedreigde gebied heeft kunnen verlaten. Dit wordt ook wel preventieve of horizontale evacuatie genoemd. Dit percentage is bepaald op basis van de waarschuwingstijd, de bevolkingsdichtheid, de capaciteit van de infrastructuur en de afstand tot veilig niet-bedreigd gebied. De waarschuwingstijd bij een kritische hoogwatersituatie langs de kust is relatief kort. Hoogwater op de rivieren is veel beter voorspelbaar, waardoor veel meer mensen het gebied voortijdig kunnen verlaten. De beschikbare tijd is afhankelijk van de voorspelbaarheid en de tijd om te beslissen. De capaciteit van de infrastructuur is bepaald met verkeersmodellen, rekening houdend met verschillende gedragsvarianten van evacués. Ook is rekening gehouden met een factor van non-response, dat wil zeggen inwoners die het evacuatiebericht niet hebben gehoord of niet wilden horen. Bron: Basisrapport : Maaskant, B., Kolen, B., Jongejan, R., Jonkman, B., en M. Kok, 2009. Evacuatieschattingen Nederland. Rapport HKV lijn in water PR 1718.10

Pluvial flooding

  • Gemiddeld hoogste grondwaterstand
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (meter beneden maaiveld), zoals berekend met het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (De Lange et al. (in review), www.nhi.nu). De hoogste grondwaterstand wordt doorgaans in de wintermaanden bereikt. Hoge grondwaterstanden zijn vaak gunstig voor de natuur, maar kunnen natschade veroorzaken in de landbouw. Natschade ontstaat onder meer door een verminderde draagkracht van de bodem, zodat boeren niet met machines op hun land kunnen, door gebrek aan zuurstof in de bodem, en door een verlate kieming van gewassen. In stedelijk gebied leiden te hoge grondwaterstanden tot vochtproblemen in kruipruimten en kelders. De Lange WJ, Prinsen GF, Hoogewoud JC et al (in review) The Netherlands Hydrological Instrument: An operational, multi-scale, multi-model for consensus-based, integrated water management and policy analysis. Environmental Modelling & Software
  • 1:10 Bui
De neerslag die valt zal voor een deel in de bodem infiltreren, een ander deel zal via de riolering worden afgevoerd. Bij hevige neerslag kan het zijn dat er een deel van het water niet goed kan worden afgevoerd, dit water zal afstromen en kan mogelijk wateroverlast optreden en veroorzaken zoals ondergelopen kelders of tunnels. Op deze kaart staat per buurt aangegeven hoeveel mm water per m2 niet direct kan worden verwerkt en dus bovengronds afstroomt. Bij het berekenen van de runoff is rekening gehouden met het landgebruik (bijv. ‘wonen laagstedelijk’ of ‘centrum hoogstedelijk’) en bodemtype (bijv. klei of zand). Het betreft hier een totale neerslag van 54 mm die in één dag naar beneden komt. In het huidige klimaat heeft zo’n bui een verwachtingswaarde van ongeveer één keer per 10 jaar. Bron: Van Nieuwkerk et al. (2010) Building the Netherlands Climate Proof.
  • 1:100 Bui
De neerslag die valt zal voor een deel in de bodem infiltreren, een ander deel zal via de riolering worden afgevoerd. Bij hevige neerslag kan het zijn dat er een deel van het water niet goed kan worden afgevoerd, dit water zal afstromen en kan mogelijk wateroverlast optreden en veroorzaken zoals ondergelopen kelders of tunnels. Op deze kaart staat per buurt aangegeven hoeveel mm water per m2 niet direct kan worden verwerkt en dus bovengronds afstroomt. Bij het berekenen van de runoff is rekening gehouden met het landgebruik (bijv. ‘wonen laagstedelijk’ of ‘centrum hoogstedelijk’) en bodemtype (bijv. klei of zand). Het betreft hier een totale neerslag van 79 mm die in één dag naar beneden komt. In het huidige klimaat heeft zo’n bui een verwachtingswaarde van ongeveer één keer per 100 jaar. Bron: Van Nieuwkerk et al. (2010) Building the Netherlands Climate Proof
  • Grondwateroverlast
De kaart toont de gebieden waarin grondwateroverlast kan optreden, nu maar ook na klimaatverandering. Het is dus niet zo dat overal in het getoonde gebied daadwerkelijk grondwateroverlast is. Grondwateroverlast is een wijdverbreid fenomeen. Het komt meestal in het winterhalfjaar voor en treedt vooral op wanneer het ingestelde waterpeil op een geringe diepte onder het maaiveld ligt (een zgn. geringe drooglegging) en in kwelgebieden, zoals langs de randen van duinen, stuwwallen en beekdalen. Alleen in de hogere delen van Nederland, in gebieden waar de grondwaterstanden laag zijn, is er nauwelijks kans op grondwateroverlast. Bron: Deltares (maart 2012)
  • Zuurstofstress
Zuurstofstress (gram O2 per vierkante meter per 10 dagen) zoals berekend met PROBE2 (Van Ek et al. in prep.; Witte et al. submitted) op basis van de uitkomsten van het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (De Lange et al. (in review), www.nhi.nu). Deze maat geeft aan in welke mate plantenwortels die niet zijn aangepast aan natte omstandigheden, zullen lijden aan een gebrek aan zuurstof. Zulke stress ontstaat vooral bij een natte bodem die warm is, dus tijdens het groeiseizoen. In de landbouw leidt hoge zuurstofstress tot een derving van de gewasopbrengst. Onder andere aardappelen en bloembollen zijn hier gevoelig voor. In de natuur past de vegetatie zich aan op perioden met zuurstofstress, bijvoorbeeld door de vestiging van soorten met luchtweefsel, zoals Riet en Dotterbloem. De zuurstofstress is berekend als het maximale zuurstoftekort dat een niet aan natte omstandigheden aangepaste grasmat ondervindt gedurende een aaneengesloten periode van 10 dagen in het jaar (Bartholomeus et al. 2012). Het is een maat die geschikt is om de gevolgen te berekenen van klimaatverandering voor zowel landbouw als natuur. Bartholomeus RP, Witte JPM, Bodegom PM, Dam JC, Becker P, Aerts R (2012) Process-based proxy of oxygen stress surpasses indirect ones in predicting vegetation characteristics. Ecohydrology 5:746-758 Van Ek R, Witte JPM, Mol J et al (in prep.) Ontwikkeling van een gemeenschappelijke effect module voor terrestrische natuur. Advisering op basis van een vergelijking van drie ecologische effectmodellen. Witte JPM, Bartholomeus RP, Van Bodegom PM et al (submitted) Modelling the effects of climate change on natural vegetation at a regional scale using the PROBE model. Landscape Ecol.

Drought

  • Paalrot
De kaart geeft aan in welke delen van de stedelijke gebieden relatief veel op houten palen gefundeerde gebouwen worden verwacht (uitgaande van de bouwperiode en de bodemkenmerken) én als gevolg van een droger klimaat een daling van de grondwaterstand mogelijk is. Het landelijk gebied is in deze kartering buiten beschouwing gelaten, maar ook daar staan gebouwen op houten palen en is een daling van de grondwaterstand mogelijk. Bronnen: Basisadministratie Adressen en Gebouwen, Deltares (maart 2012).
  • Droogtestress
Droogtestress (millimeter water per 10 dagen) zoals berekend met PROBE2 (Van Ek et al. in prep.; Witte et al. submitted) op basis van de uitkomsten van het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (De Lange et al. (in review), www.nhi.nu). Deze klimaatrobuuste maat geeft aan hoeveel millimeter water een aaneengesloten grasmat in een jaar maximaal tekort komt gedurende een aaneengesloten periode van 10 dagen (Bartholomeus et al. 2011a). In de landbouw leidt droogtestress direct tot een derving van gewasopbrengsten. In de natuur past de vegetatie zich aan op perioden met droogtestress, bijvoorbeeld door de vorming van een vegetatie met veel kale grond, mossen en korstmossen, en met wortelende planten die compacte bladeren hebben. Bartholomeus RP, Witte J-PM, van Bodegom PM, van Dam JC, Aerts R (2011a) Climate change threatens endangered plant species by stronger and interacting water-related stresses. J. Geophys. Res. 116(G4):G04023 De Lange WJ, Prinsen GF, Hoogewoud JC et al (in review) The Netherlands Hydrological Instrument: An operational, multi-scale, multi-model for consensus-based, integrated water management and policy analysis. Environmental Modelling & Software Van Ek R, Witte JPM, Mol J et al (in prep.) Ontwikkeling van een gemeenschappelijke effect module voor terrestrische natuur. Advisering op basis van een vergelijking van drie ecologische effectmodellen. Witte JPM, Bartholomeus RP, Van Bodegom PM et al (submitted) Modelling the effects of climate change on natural vegetation at a regional scale using the PROBE model. Landscape Ecol.
  • Gemiddeld Laagste Grondwaterstand
Gemiddelde laagste grondwaterstand (meter beneden maaiveld), zoals berekend met het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (De Lange et al. (in review), www.nhi.nu). De laagste grondwaterstand wordt doorgaans aan het eind van de zomer bereikt. Wanneer de grondwaterstand te diep wegzakt in het groeiseizoen, kan de capillaire aanvulling van de wortelzone uit het grondwater onvoldoende zijn om gewassen optimaal van water te voorzien. Boeren kunnen dan overschakelen op beregening; in de natuur past de vegetatie zich aan droogte aan.
  • Bodemdaling
Watertekort als gevolg van droogte leidt in klei- en veengebieden tot bodemdaling. De kaart toont gebieden waarin meer dan 0,5 cm/jaar bodemdaling optreedt onder het W+ scenario. Deze verwachte bodemdaling geldt voor een situatie waarin de huidige wijze van waterpeilbeheer (behoudt van de huidige drooglegging) wordt gecontinueerd. De kaart is een combinatie van een landelijke studie naar bodemdaling (De Lange et.al., 2011) en een detailstudie voor het westelijke veenweidegebied (Jansen et.al., 2010). Bronnen: Deltares, TNO, Alterra.

Heat stress

  • Aandeel groen
Groen in de stad kan het stedelijk hitte-eiland effect verminderen. Groene steden, d.w.z. steden met relatief veel parken, bomen, tuinen en groenstroken hebben daarom over het algemeen een geringer stedelijk hitte-eiland effect. Deze kaart geeft de landgebruiksfractie groen per buurt weer. Hiervoor is een selectie gemaakt uit het bestand Top10NL (2014). Voor de buurtindeling is het bestand CBS buurten 2013 gebruikt.
  • Aandeel verharding
Steden met veel bebouwing en verhard oppervlak hebben over het algemeen te maken met een groter stedelijk hitte-eiland. Deze kaart geeft de landgebruiksfractie verharding per buurt weer. Hiervoor is een selectie gemaakt uit het bestand Top10NL (2014). Voor de buurtindeling is het bestand CBS buurten 2013 gebruikt.
  • Oppervlakte hitte-eiland Dag
Deze kaart geeft het oppervlakte hitte-eiland effect van de Nederlandse steden voor de situatie overdag weer. De kaart is gebaseerd op NOAAAVHRR sattelietbeelden van de oppervlaktetemperatuur die zijn genomen op 16 juli 2006. Het verschil in de oppervlaktetemperatuur tussen stad en het buitengebied is hierbij gedefinieerd als het oppervlakte hitte-eiland (Klok et al. 2012).
  • Oppervlakte hitte-eiland Nacht
Deze kaart geeft het oppervlakte hitte-eiland effect van de Nederlandse steden voor de situatie ‘s nachts weer. De kaart is gebaseerd op NOAAAVHRR sattelietbeelden van de oppervlaktetemperatuur die zijn genomen op 17 juli 2006. Het verschil in de oppervlaktetemperatuur tussen stad en het buitengebied is hierbij gedefinieerd als het oppervlakte hitte-eiland (Klok et al 2012).
  • Aantal nachten boven 20 graden
Uit ervaring weet iedereen dat het in de stad vaak warmer is dan in het omringende landelijk gebied. Dit wordt het stedelijk hitte-eiland effect (‘Urban Heat Island’, UHI genoemd. Vooral tijdens heldere, windstille zomerse dagen is de UHI intensiteit groot: Overdag absorberen de stenige oppervlakken veel zonnestraling, de opgeslagen energie komt na zonsondergang als voelbare warmte weer vrij waardoor het in de stad langer warm blijft, terwijl het omringende platteland snel afkoelt. Het UHI is dus vooral ’s nachts aanwezig wat tijdens zomerse dagen kan leiden tot verminderde nachtrust. Stedelijk landgebruik en stedelijke geometrie bepalen voor een belangrijk deel de grootte van het UHI effect. Om het effect hiervan te bepalen zijn temperatuurgegevens van drie jaar (2010-2012) uit het monitoring netwerk van Rotterdam gerelateerd aan locale omgevingskenmerken. Significante relaties zijn gevonden tussen UHI en de hoeveelheid verharding, de hoeveelheid groen en de gemiddelde gebouwhoogte in de omgeving (van Hove et al. 2014). De vastgestelde relaties zijn vervolgens ge-extrapoleerd naar heel Nederland om een globaal landelijk beeld te krijgen. Met behulp van KNMI klimaatreeksen is verkend wat dit kan betekenen voor het aantal nachten per jaar waarin de temperatuur niet onder de 20 graden komt zowel onder het huidige klimaat als onder het Wh scenario (update van W+) in 2050. De analyse geeft alleen inschattingen voor het stedelijk gebied. Van Hove, L.W.A., Jacobs, C.M.J., Heusinkveld B.G., Elbers, J.A., van Driel, B.L., and Holtslag, A.A.M. (2014). Temporal and spatial variability of urban heat island and thermal comfort within the Rotterdam agglomeration. Building and Environment 2014. DOI: 10.1016/j.buildenv.2014.08.029. Open access.  

Step 7 – Select climate scenario

Next to the current situation, two climate scenarios can selected to show results for 2050; G2020 and W+2050 (according to the KNMI 06 scenarios ()). No information is available for effects, sensitive functions and risks that appear grey after selecting a scenario. These scenarios can be selected by clicking on the buttons Huidig (‘current’), G2050 or W+2050 in the lower left corner.  

Step 8 – Explanation

In the lower right corner (bottom of the righthand sidebar) an explanation is given with regards to the selected climate threat. These explanations are shown below (have to be translated from Dutch to English).

Coastal and river flooding

Het overstromingsrisico kan worden gezien als een combinatie van de kans op overstroming (bepaald door de waterkering), blootstelling van het gebied (fysieke kenmerken van de overstroming, bijvoorbeeld waar en hoe diep) en kwetsbaarheid van mensen en functies. Voor de opgenomen kaarten staat aangegeven onder welke categorie ze vallen. Met overstromingskansen als norm voor waterkeringen, wordt geanticipeerd op klimaatverandering: een snellere zeespiegelstijging leidt bijvoorbeeld tot het eerder afkeuren en een grotere versterkingsopgave.

Pluvial flooding

Klimaatverandering leidt tot een toename van de intensiteit en frequentie van hevige neerslag. Of deze toenemende intensiteit en frequentie van zware neerslagsituaties ook daadwerkelijk leidt tot meer wateroverlast hangt vooral af van lokale factoren en maatregelen. Wateroverlast kan verschillende oorzaken hebben: overstroming vanuit regionaal oppervlaktewateren, onvoldoende ont- of afwateringscapaciteit of hoge grondwaterstanden

Drought

Door klimaatverandering neemt de kans op een droge zomer toe. Een extreem droge zomer als 2003 komt nu gemiddeld eens in de 10 jaar voor, in het W scenario loopt dit op naar eens in de 7 en in het W+ naar eens in de 2 jaar (KNMI 06). Watertekort kan zich ook uiten in dalende grondwaterstanden. In het stedelijk gebied kan dit problemen veroorzaken voor houtenpaalfundering. Door drooglegging kan paalrot optreden. In klei- en veengebieden kan watertekort als gevolg van droogte leiden tot bodemdaling

Heat stress

Een warmer klimaat heeft gevolgen voor de leefbaarheid in de stad en de vraag naar verkoeling en buitenrecreatie zal toenemen. Het hitte-in-de-stad of urban heat island effect (UHI) is het fenomeen dat de temperatuur in een stedelijk gebied gemiddeld hoger is dan in omliggende landelijk gebied. Door het UHI worden problemen tijdens hittegolven, zoals hittestress, verergerd. Het effect treedt met name ‘s nachts op als de warmte in de stad wordt vastgehouden en de stad onvoldoende kan afkoelen.  

Step 9 – Gidsmodellen voor landschapstypen

To be further elaborated  

Step 10 – Download

Finally, a pdf can be downloaded by clicking the button ‘Download’ at top center of the screen which will represent the map and the effects as selected in the online version.  

Output

The output of this tool can be ‘printscreen’ (i.e. a picture)  of the map that has been created online, or a pdf that has been downloaded from the site by the user first.    

Developer/Owner

Various knowledge institutes and consultancies are involved in the development of the Climate Impact Atlas. The knowledge institutes are responsible for the source materials referred to in the Climate Impact Atlas. The Foundation Climate Adaptation Services coordinates and manages the Climate Impact Atlas.